Overkomen is het op de  buitenkant neerzetten/ insteken van de  schaats op het rechte eind. Iedereen, zelfs een  leek ziet het gebeuren weet dat het bij het schaatsen van het rechte eind hoort.

Heeft het overkomen nut bij het maken van snelheid?  Nee wanneer een schaatser overkomt en dus met het lichaamsgewicht buiten de schaats komt te hangen stuurt de schaats zelfs iets naar buiten. Dit is een loos glij moment wat geen positieve bijdrage levert aan het genereren van snelheid. Snelheid maken gebeurt namelijk pas wanneer de schaatser op de binnenkant van de schaats staat en hier met zijn gewicht tegen aan leunt.

Toch zien we alle geoefende schaatsers overkomen. Moeten wij het dan ook aanleren? Het daadwerkelijke overkomen is slechts een (soms negatief) gevolg van een zijwaartse afzet. Hierbij duw je  je gewicht met een krachtige beweging van de ene kant naar de andere.  Daardoor slingert  het lichaamszwaartepunt over je schaats heen waardoor deze op de buitenkant komt. Hoe verder je overkomt, hoe verder je van de ideale lijn wijkt en hoe langer het duurt voordat je schaats gereed is om weer snelheid te gaan maken! Om zo efficient mogelijk te kunnen schaatsen zou dit moment van overkomen dus  zo kort mogelijk gemaakt moeten worden waardoor de schaats sneller weer terug naar voren stuurt. Pas dan kan er weer zijwaarts  afgezet worden!

Conclusie: Overkomen is een belangrijk onderdeel in het schaatsen. Iedereen ziet en herkent het. Om goed, ontspannen en vloeiend te kunnen schaatsen moet het aangeleerd worden. Een duidelijke analyse laat echter wel zien dat we om echt snel (vooral sprint) te kunnen schaatsen liever alleen bovenkomen dan helemaal overkomen!

AddThis Social Bookmark Button